Belasting op roerende goederen in BelgiŽ

De algemene context

De belasting op roerende activa in BelgiŽ bestaat hoofdzakelijk uit drie belastingen. De eerste is van toepassing op de roerende inkomsten, de tweede op de financiŽle transacties en de derde op effectenrekeningen. Er bestaat echter geen belasting op het bezit van roerende waarden in BelgiŽ. Deze belastingen zijn:

De roerende voorheffing
Dit is een belasting op de roerende inkomsten die de particuliere belegger ontvangt. Zo is elke interest en elk dividend aan roerende voorheffing onderworpen. De roerende voorheffing is bevrijdend. Dit betekent dat wanneer ze betaald is, de belasting definitief verschuldigd is en de belegger ze niet meer moet aangeven in zijn inkomstenaangifte.
De Taks op de Beursverrichtingen
Dit is een taks op de koop- en verkooptransacties die een particuliere belegger verricht op de markten of, in bepaalde gevallen, rechtstreeks met de emittent van het financieel product. Het percentage van de taks hangt af van het soort financieel product en is begrensd.
De Taks op Effectenrekeningen
Dit is een jaarlijkse belasting op in BelgiŽ aangehouden effectenrekeningen waarvan de gemiddelde waarde (berekend op basis van de waarde van de portefeuille aan het einde van elk kwartaal van het boekjaar) hoger is dan 1.000.000,00 euro. Het belastingtarief bedraagt 0,15% van de gemiddelde waarde.

De roerende voorheffing

De roerende voorheffing werd in het begin van de jaren tachtig in BelgiŽ ingevoerd ter voorkoming van fiscale fraude waarbij geen roerende inkomsten aangegeven werden in de belastingaangifte. Deze praktijk was inderdaad gemeengoed geworden door het bestaan van effecten aan toonder enerzijds en de lage informatisering van de verschillende betrokkenen anderzijds. De wetgever heeft daarom een eenmalige inning in het leven geroepen die toegepast wordt op het ogenblik dat de roerende inkomsten betaald worden, een inning die door de schuldenaar ingehouden wordt op het inkomen en definitief aan de Ministerie van FinanciŽn betaald wordt. Wanneer het om een buitenlandse schuldenaar gaat, dan is het aan de eerste Belgische betaalagent om het bedrag van de roerende voorheffing in te houden.

Het tarief van de roerende voorheffing werd in 2013 veralgemeend tot 30%. Voor bepaalde soorten roerende inkomsten (residentiŽle vastgoedbevaks) bedraagt het tarief van de roerende voorheffing 15%.

De roerende voorheffing wordt berekend op het bruto roerende inkomen dat de belegger ontvangt. Als het bruto-inkomen in het buitenland wordt betaald (bijvoorbeeld het door een Franse vennootschap uitgekeerd dividend), dan wordt de Belgische roerende voorheffing berekend op het brutobedrag van het inkomen, na aftrek van de lokale belasting. Zo zal in ons voorbeeld voor een in Frankrijk uitgekeerd brutodividend van 100 euro de roerende voorheffing niet berekend worden op 100 euro, maar op 70 euro, dus op het brutobedrag min de Franse roerende voorheffing van 30%, zijnde 30 euro. Er bestaan echter overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting om deze dubbele belasting te verminderen (zie de rubriek Dubbele Belasting).

De roerende voorheffing kan beschouwd worden als de definitieve belasting op de roerende inkomsten voor particuliere beleggers. Beleggende rechtspersonen daarentegen moesten de roerende voorheffing beschouwen als een voorschot op de vennootschapsbelasting (ISOC).

De in te houden roerende voorheffing hangt af van het soort ontvangen roerende inkomsten. De verschillende percentages en de verschillende toepassingsmodaliteiten worden hierna beschreven:

30% roerende voorheffing op interesten
Op elke interest die door een schuldenaar aan zijn schuldeiser betaald wordt moet een voorheffing van 30% toegepast worden op het ogenblik van de betaling ervan. De schuldenaar moet op het interestbedrag dat hij betaalt, de roerende voorheffing inhouden en deze betalen aan het Ministerie van FinanciŽn. Het percentage van 30% is dus van toepassing voor interesten op een rekening-courant, interesten van termijnbeleggingen, interesten van obligaties, kasbonnen en dividenden van kapitalisatieobligatiebeveks.

Merk op dat ieder verschil tussen de uitgifteprijs van een obligatie en de terugbetalingsprijs ervan ook als interest beschouwd wordt. Een belegger die voor 98% heeft ingeschreven op een obligatie en 100% terugbetaald werd moet dus op die 2% 30% roerende voorheffing betalen en dit eveneens indien hij de obligatie tijdens de looptijd op de secundaire markt gekocht heeft voor een hogere prijs dan 98%.

Merk eveneens op dat de opgebouwde interest, die uitbetaald wordt bij de verkoop van een obligatie op de secundaire markt, niet beschouwd wordt als een interest, aangezien ze niet betaald wordt door de schuldenaar, maar door de koper van de obligatie. De roerende voorheffing van 30% moet dus niet ingehouden worden. Deze vergoeding moet echter door de verkoper aangegeven worden in zijn belastingaangifte. De overgrote meerderheid van de in BelgiŽ uitgegeven obligaties (waarvan de code begint met "BE") maakt echter voortaan deel uit van het X/N-systeem van de Nationale Bank van BelgiŽ. Dit systeem voorziet in de inhouding van de roerende voorheffing bij de verkoop van een obligatie op de secundaire markt en regelt dus dit probleem voor transacties op Belgische obligaties.
30% roerende voorheffing op dividenden
Op elk dividend dat een onderneming uitkeert aan haar aandeelhouders wordt een voorheffing toegepast van 30%. Het bedrag van de voorheffing moet door de vennootschap afgehouden worden aan de bron, behalve als het om een buitenlandse vennootschap gaat. In dat geval is het de eerste Belgische betaalagent die de roerende voorheffing dient af te houden op het bruto "grensbedrag", dat wil zeggen op het brutobedrag van het dividend waarvan de belastingen van het land van herkomst zijn afgetrokken.
De roerende voorheffing 19 Bis op kapitalisatieobligatiebeveks
Verschillende financiŽle instellingen hebben kapitalisatieobligatiebeveks in het leven geroepen om de roerende voorheffing van 30% op de interesten van obligaties te vermijden. Aangezien BelgiŽ geen belasting op meerwaarden heft, ontvingen de beleggers dan de interesten van de obligaties zonder voorheffing te betalen in de vorm van meerwaarden bij de verkoop van hun kapitalisatiebeveks.

In 2005 heeft de wetgever de roerende voorheffing 19 Bis in het leven geroepen (ook wel voorheffing Onkelinkx genoemd) die van toepassing is op kapitalisatiebeveks die meer dan 10% obligaties in portefeuille hebben. In de praktijk moeten deze beveks, naast hun netto-inventariswaarde (NIW), het deel van de NIW berekenen dat overeenkomt met de interesten uit obligaties en geldmarktinstrumenten. Dit deel wordt TIS genoemd, wat staat voor Tax Income per Share. Bij de wederverkoop van de bevek moet dan een roerende voorheffing van 30% ingehouden worden op het verschil tussen het TIS op het moment van aankoop van de bevek en het TIS op het moment van verkoop. Indien de aankoop plaatsvindt vůůr 1 juli 2005 dan moet het TIS van 1 juli 2005 ingehouden worden.

Veel buitenlandse emittenten berekenen dit TIS niet, waardoor het aan de roerende voorheffing 19 Bis onderworpen bedrag niet berekend kan worden. In dat geval heeft de wetgever voorzien dat de belastinggrondslag voor de roerende voorheffing 19 Bis gevormd zal worden door het verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers, gewogen door het percentage obligaties dat het fonds op het ogenblik van de verkoop in bezit heeft (de zogenaamde Asset Test).

In juli 2013 heeft de wetgever het toepassingsgebied van de roerende voorheffing 19 Bis uitgebreid tot beveks die niet over een Europees paspoort beschikken. In dat geval is de referentiedatum niet 1 juli 2005, maar 1 juli 2013, met een specifieke berekeningswijze voor de periode van 1 juli 2008 tot 30 juni 2013.

Aangezien de belastinggrondslag van de roerende voorheffing 19 Bis berekend wordt op verschillende waarden van de aankoop- en verkoopkoersen, heeft de wetgever bepaald dat deze belastinggrondslag nooit hoger mag zijn dan de door de belegger gerealiseerde meerwaarde.

De Taks op de Beursverrichtingen

De Taks op de Beursverrichtingen is een taks die berekend wordt op het brutobedrag van iedere effectentransactie, behalve van transacties in opties en futures en transacties in verband met de uitgifte van nieuwe effecten. Het bedrag van de taks is begrensd. Buitenlandse ingezetenen en bepaalde Belgische rechtspersonen kunnen vrijgesteld worden van de Taks op Beursverrichtingen, mits overlegging van een verklaring bij de opening van hun rekening bij hun financiŽle instelling.


Het tarief van de taks en de begrenzing ervan hangen af van het soort financieel instrument:

Percentage van 0,12 % begrensd tot 1.300,00 EUR
Het percentage van 0,12 % is van toepassing op elke transactie in obligaties op de secundaire markt, Belgische certificaten van buitenlandse effecten, Gereglementeerde Vastgoedvennootschappen (GVVs), beursgenoteerde uitkeringsbeveks en de verkoop van effecten op de markt van de openbare verkoop.

Het totaalbedrag van de taks mag echter nooit hoger zijn dan 1.300,00 EUR.
Percentage van 0,35 % begrensd tot 1.600,00 EUR
Het percentage van 0,35 % is van toepassing op elke transactie in aandelen, warrants, vastgoedcertificaten, VVPR-strips en toekenningsrechten en inschrijvingsrechten.

Het totaalbedrag van de taks mag echter nooit hoger zijn dan 1.600,00 EUR.
Percentage van 1,32 % begrensd tot 4.000,00 EUR
Het percentage van 1,32 % is van toepassing op elke transactie in beursgenoteerde kapitalisatiebeveks en in verband met de verkoop van niet-beursgenoteerde kapitalisatiebeveks.

Het totaalbedrag van de taks mag echter nooit hoger zijn dan 4.000,00 EUR.

De Taks op Effectenrekeningen

De jaarlijkse taks op effectenrekeningen (JTER) is ingevoerd bij de wet van 11 februari 2021. De wet is op 26 februari 2021 in werking getreden. De belasting wordt berekend over de jaarlijkse gemiddelde waarde van alle belastbare financiŽle instrumenten (aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, opties, contanten, enz.) die op de effectenrekening worden aangehouden, indien deze gemiddelde waarde meer dan 1.000.000 euro bedraagt.

De taks is van toepassing per effectenrekening, ongeacht het aantal houders van de effectenrekening, hun statuut (volle eigenaar, blote eigenaar, vruchtgebruiker, ...), hun aard (natuurlijke persoon of rechtspersoon) of hun fiscale woonplaats (Belgisch of buitenlands). Zo zal bijvoorbeeld een natuurlijke persoon die drie effectenrekeningen van elk 700.000 euro aanhoudt, niet door deze belasting worden getroffen. Anderzijds zal een koppel met een effectenrekening van 1.200.000 euro de belasting moeten betalen.

De referentieperiode is twaalf maanden en begint op 1 oktober en eindigt op 30 september van het volgende jaar. De berekening is gebaseerd op de waarde van de effectenrekening aan het einde van elk kwartaal, namelijk 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september. Aangezien de wet pas op 26 februari 2021 in werking is getreden, zal het belastingjaar voor 2021 bij wijze van uitzondering slechts 3 referentiekwartalen tellen, namelijk 31 maart 2021, 30 juni 2021 en 30 september 2021.

BelastingsjaarBegindatumEinddatumAantal referentiepunten
202126/02/202130/09/20213 (31/03, 30/06, 30/09)
202201/10/202130/09/20224 (31/12, 31/03, 30/06, 30/09)
202301/10/202230/09/20234 (31/12, 31/03, 30/06, 30/09)
202401/10/202330/09/20244 (31/12, 31/03, 30/06, 30/09)


Het belastingtarief bedraagt 0,15% van de aldus berekende gemiddelde waarde. De wet voert echter ook een mechanisme in om de belasting op effectenrekeningen met een waarde van iets meer dan een miljoen euro te beperken. In dit verband is de belasting beperkt tot 10% van het verschil tussen de totale waarde van de effectenrekening en het vaste bedrag van ťťn miljoen euro.


Voorbeeld 1

U houdt persoonlijk een effectenrekening aan met een waarde van 500.000,00 EUR op 31 maart 2021, 650.000,00 EUR op 30 juni 2021 en 600.000,00 EUR op 30 september 2021. De gemiddelde waarde van uw effectenrekening voor het belastingjaar 2021 bedraagt 583.333,00 EUR.

Aangezien deze gemiddelde waarde lager is dan 1.000.000,00 EUR, is de belasting op effectenrekeningen niet van toepassing. U hoeft dus niets te betalen.


Voorbeeld 2

Uw vennootschap heeft een effectenrekening met een waarde van 1.500.000,00 EUR op 31 maart 2021, 2.100.000,00 EUR op 30 juni 2021 en 1.800.000,00 EUR op 30 september 2021. De gemiddelde waarde van de effectenrekening van uw vennootschap voor het belastingjaar 2021 bedraagt 1.800.000,00 EUR.

Aangezien deze gemiddelde waarde de drempel van 1.000.000,00 EUR overschrijdt, is de belasting op effectenrekeningen van toepassing. Het bedrag van de belasting is 2.700,00 EUR, d.w.z. 1.800.000,00 EUR aan 0,15%. Het belastingplafond was 80.000,00 EUR (d.w.z. 10% van de gemiddelde waarde van 1.800.000,00 EUR minus de drempel van 1.000.000,00 EUR), de belasting is niet geplafonneerd. U betaalt een belasting van 2.700,00 EUR.


Voorbeeld 3

Samen met uw broer en zus houdt u een effectenrekening aan met een waarde van 980.000,00 EUR op 31 maart 2021, 1.050.000,00 EUR op 30 juni 2021 en 1.010.000,00 EUR op 30 september 2021. De gemiddelde waarde van de effectenrekening voor het begrotingsjaar 2021 bedraagt 1.013.333,33 EUR.

Aangezien deze gemiddelde waarde de drempel van 1.000.000,00 EUR overschrijdt, is de belasting op effectenrekeningen van toepassing. Het bedrag van de belasting is 1.520,00 EUR, d.w.z. 1.013.333,33 EUR aan 0,15%. Het belastingplafond was echter 1.333,33 EUR (d.w.z. 10% van de gemiddelde waarde van 1.013.333,33 EUR min de drempel van 1.000.000,00 EUR), zodat de belasting aan een maximum is gebonden. U betaalt een belasting van 1.333,33 EUR.